|
Pieter Saey (1942) is hoofddocent aan de U.Gent, Sociale Geografie. Mark Saey (1968) is filosoof, wetenschappelijk medewerker U.Gent (BD FWO-Vlaanderen), Filosofie en Moraalwetenschappen. Yves Desmet in de lifestylekrant De Morgen van 16 juni 2004: "Vraag is trouwens of dat middenveld nog representatief is. Op een goede dag bereiken al onze tv-omroepen samen geen twee miljoen kijkers. Een domme vraag misschien, maar wat doen die andere twee miljoen stemmers? Wat doet de helft van de bevolking die niet eens door de grootste massamedia van dit land, laat staan door de kranten of andere media bereikt worden? Wat drijft hen? Hoe bepalen zij hun mening? Als de sociologen en politicologen van dit land zich daar nu eens mee bezighielden, in plaats van meningen te ventileren waaruit voornamelijk blijkt dat zij het evenmin weten."
Alleszins geen domme vraag. Maar hoewel de krant zich oprecht en fervent tegen het Vlaams Blok verzet zou die vraag zich wel eens tegen hemzelf kunnen keren. De politiek hoofdredacteur weet dat hij met zijn krant de Blok-stemmers niet bereikt. Daar schijnt hij niet mee in te zitten. Kranten moeten nu eenmaal renderen. En De Morgen rendeert. Althans volgens de zegebulletins die zij over haar stijgend aantal lezers regelmatig publiceert. Zou het niet kunnen dat er een verband is? Dat wat De Morgen serveert, wel lezers aantrekt, maar ook lezers afstoot? Dat die lezers dan, bij gebrek aan informatie, op het Blok beginnen te stemmen? Stel je even voor. Sociologen en politicologen doen wat Desmet vraagt en komen uit bij de vaststelling dat De Morgen op die manier serieus bijdraagt tot de opgang van het Vlaams Blok. Zou hij zich daar echt niet van bewust zijn? Yves Desmet richt zich tot de sociologen en politicologen, dus hoeven we ons niet aangesproken te voelen. Toch ventileren we onze mening. We doen dit onder de vorm van een essay waarbij we het Vlaams Blok een paradigmatische waarde toekennen. Het Blok is voor ons een ideaaltype. De opkomst ervan in Vlaanderen kan mutatis mutandis model staan voor de opkomst van het extreem rechtse populisme in Westelijk Europa. Met dit essay willen we een bijdrage leveren aan de opbouw van een links vertoog dat in andere categorieën redeneert dan degene die door het electoraal succes van het Vlaams Blok worden opgedrongen. We geven aan hoe de opkomst en evolutie van het Vlaams Blok geografisch en politiek-economisch kan worden verklaard binnen een opvatting over de historische ontwikkeling van maatschappijen in de kern van het moderne wereld-systeem, aangevuld met een eigen versie van de breuklijnentheorie. We bezien het Blok ook sociaal-psychologisch. We interpreteren de aantrekkingskracht ervan als symptoom van symbiotisch ziek zijn in een democratie met despotische trekken. Dit stelt ons in staat aan te geven hoe een tegenstrategie kan worden bedacht en geformuleerd vanuit een politiek-culturele verdediging van de positieve vrijheid. Daarmee willen we enkele factoren tegengaan die we als noodzakelijke voorwaarden voor het succes van extreem-rechts beschouwen. Immers, men moet toch ofwel kwaadwillig ofwel doof en blind zijn om niet te begrijpen dat ten aanzien van openlijk racisme ‘het hele wereld-systeem met vuur speelt en dat het slechts een kwestie is van tijd vooraleer er hoe dan ook, waar dan ook, brand uitslaat' (1). KapitalismeWe beginnen bij het begin. Een vis weet niet dat er water om hem heen is. Met al het gedaas rond kenniseconomie, informatiemaatschappij, creatieve samenleving zou een mens op den duur vergeten dat hij in een kapitalistische maatschappij leeft. Dat wil zeggen, een klassenmaatschappij. Dat wil zeggen dat de ontwikkeling van die maatschappij aangedreven wordt door de tegengestelde belangen die mensen verdedigen omdat ze een bepaalde plaats in het productieproces innemen. Klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal noemen marxisten dat. Maar gaat het altijd om klassenstrijd? Daar moeten we toch voorzichtig mee zijn. Collectieve acties voor het verbeteren van arbeidsvoorwaarden of om de mogelijkheid te forceren op te klimmen op de sociale ladder, zijn eigenlijk geen klassenstrijd. Klassenstrijd betekent actie voeren om de klassenverhoudingen zelf te vernietigen (2). Als we het zo bekijken, is er niet al te veel klassenstrijd. We mogen ons echter niet laten misleiden. De klassenstrijd wordt niet alleen door de arbeid gevoerd, ook het kapitaal voert hem. En wel permanent. Als de arbeid het laat afweten of enkel sociale mobiliteit en betere arbeidsvoorwaarden nastreeft, dan is het kapitaal in stilte een strijd aan het winnen waarvan alleen het kapitaal zich nog bewust is dat hij bestaat. Het is niet omdat klassenstrijd uitblijft dat de klassentegenstellingen zijn verdwenen. Er zijn immers vele redenen waarom arbeid niet tot het besef komt dat er gemeenschappelijke belangen te verdedigen zijn wanneer men eenzelfde plaats in het productieproces inneemt. De verdeel-en-heers-politiek en het ideologisch overwicht van het kapitaal zijn heus niet de enige. Er zijn voldoende andere maatschappelijke tegenstellingen die de klassentegenstellingen doorkruisen en die verhinderen dat arbeid op grond van het klassenbelang gemobiliseerd wordt. Mensen worden ook gemobiliseerd op grond van nationale, etnische, culturele, gender tegenstellingen en laat ons niet in de val lopen om al deze tegenstellingen schijntegenstellingen te noemen of ze alleen maar te zien als aangrijpingspunten voor de verdeel-en-heers-politiek van het kapitaal. De accumulatie van kapitaal creëert trouwens zelf genoeg aangrijpingspunten voor die politiek: hoeveel mensen bevinden zich nog in eenzelfde werksituatie? Men moet al een sterk door de marxistische wol geverfde theoreticus zijn om nog te weten waar in 's hemelsnaam het begrip ‘abstracte arbeid' op slaat. Dat de samenleving een klassenmaatschappij is, betekent nog niet dat die samenleving als klassenmaatschappij wordt waargenomen of als klassenmaatschappij georganiseerd is. De klassentegenstellingen hoeven daarom nog niet het politieke leven te beheersen. Een van de manieren om de geschiedenis in fasen in te delen, is te kijken naar de numeriek dominerende economische sector. Van een maatschappij waarin de meerderheid van de mensen werkzaam was in de agrarische sector zijn we, via een maatschappij waarin de industriële sector domineerde, terechtgekomen in een maatschappij waarin de meerderheid werkzaam is in de dienstensector. We hebben het hier dan uitsluitend over de kernlanden van de wereld-economie. Achter deze evolutie gaat een fundamentelere ommekeer schuil. Hoewel het telkens gaat om een klassenmaatschappij, is alleen de industriële maatschappij dat open en bloot. Alleen daar hebben de organisaties die de klassen vertegenwoordigen een aanvaarde zware vinger in de politieke pap. Een agrarische maatschappij daarentegen is een standenmaatschappij. Een dienstenmaatschappij is een meritocratische maatschappij. Standen zijn afgesloten groepen van mensen die een functie uitoefenen die volgens de heersende opvattingen nodig is voor de werking van een goede samenleving: de ene stand vecht, de andere bidt en een derde werkt. Daarom hebben die standen ook specifieke rechten en plichten. In een meritocratie bepalen niet afkomst of klasse, maar individuele prestaties en capaciteiten macht en aanzien. Dat klinkt mooi, alleen jammer dat het gaat om marktconforme prestaties en capaciteiten. Wat levert deze opfrissing van elementaire kennis op? Twee dingen. Extreem-rechts stond in het interbellum vooral sterk op het platteland. Ook het Vlaams Blok scoort in niet-stedelijke gebieden. Dit is echter het resultaat van een expansieproces dat gestart is in de steden. Met andere woorden, in bepaalde historische constellaties maakt een bepaald soort gedachtegoed, dat we extreem-rechts noemen, opgang, maar de geografie ervan verschilt van constellatie tot constellatie, het electoraat lijkt anders te zijn. Door onze back to basics hebben we er nu een vermoeden van hoe dit verschil kan verklaard worden. De overgang van een agrarische naar een industriële en van een industriële naar een dienstenmaatschappij gebeurt niet op één dag. Ook agrarische maatschappijen sterven maar langzaam. De ontwikkeling van een industriële maatschappij is één lange poging tot verdringing van een weerbarstige standenmaatschappij. Zodra de opbouw van de industriële maatschappij stokt, steken oude krachten weer de kop op. In het interbellum geraakt de wereldeconomie in crisis. Staten schakelen over op protectionisme. De wereldhandel stort in elkaar. Autarkie komt op de politieke agenda. Zowel de agrarische sector als het politieke autoritarisme winnen aan belang. In die omstandigheden moeten we er ons niet over verwonderen dat extreem-rechts aanslaat op het platteland. Daar overheerst het katholicisme met nogal eens dikwijls corporatistische neigingen (3). De dienstenmaatschappij kwam tot ontwikkeling als gevolg van de technologische vooruitgang. Technologische vernieuwingen staan er borg voor dat de economieën in de kern van de wereld-economie de economieën in de periferie kunnen domineren en beconcurreren. Vele mensen komen in die dienstenmaatschappij niet meer aan de bak. De kennisintensieve economie weet met hun industriële vaardigheden geen weg. Industriële vaardigheden die vooral van tel waren in de steden. Bovendien zijn het deze mensen die de concurrentie van de lagelonenlanden en van de laaggeschoolde allochtonen aan de lijve ondervinden. En laaggeschoolde allochtonen, die wonen ook vooral in de steden. Maar stemde handarbeid dan niet socialistisch? En steden waren toch socialistische bolwerken? Dit brengt ons bij de tweede opbrengst van onze opfrissing. De geschiedenis van kapitalisme kan ook op de volgende manier gelezen worden: een periode van opbouw en consolidatie, een periode waarin antisysteembewegingen - de socialistische arbeidersbeweging en het bevrijdingsnationalisme - opkomen en zelfs succes boeken en de huidige periode waarin het kapitaal tracht terug te komen van wat het in de vorige periode heeft moeten toegeven. De antisysteembewegingen boekten succes in de zin dat zij in hun strategisch opzet, de verovering van de staatsmacht, zijn geslaagd. De communisten heersten in het Oosten, de sociaal-democraten nemen deel aan de regeringen in het Westen, het Zuiden is gedekoloniseerd. Maar precies door dit succes hebben zij ook gefaald (4). Zij hebben hun systeemondermijnend karakter verloren. De sociaal-democratie is zelfs dusdanig in het systeem geïntegreerd dat zij sinds de val van de Muur ideologisch met haar verleden heeft gebroken. De kapitalistische markteconomie is voor haar geen kwaadaardig stelsel meer (5). Zover is het revisionisme of reformisme nooit gegaan. Kapitalisme was een stelsel dat ongelijkheid en armoede voortbracht en moest daarom bestreden worden. Lieten de machtsverhoudingen geen revolutie toe, dan moest die strijd binnen de politieke en sociale structuren van het kapitalisme zelf gevoerd. In de naoorlogse periode heette het compromis Keynesianisme. Kapitaal en liberalisme konden tevreden zijn: het Keynesianisme gaf koopkracht aan de massa en stelde aldus de winstvorming veilig. Arbeid en sociaal-democratie konden tevreden zijn: de gemeenschap, gemakshalve gelijkgesteld aan de overheid, kreeg, zij het oppervlakkig, wat greep op de economie. Economische ontwikkeling was gericht op volledige werkgelegenheid en werd ondersteund met maatregelen die de vraag stimuleerden. Door haar te koppelen aan herverdeling, gericht op gelijkheid, ontstond een opwaartse spiraal van algemene maatschappelijke verbetering. Die spiraal is voorbij. Herverdeling en concurrentievermogen, ondersteund door maatregelen die het aanbod stimuleren, staan nu op gespannen voet met elkaar. Gelijkheid is ingeruild voor gelijke kansen. De sociaal-democratie heeft zichzelf ervan overtuigd dat, als er ongelijkheid en armoede zijn, het antwoord daarop is: meer concurrentievermogen (en wat kan dit anders zijn dan meer kapitalisme, zij het sociaal gecorrigeerd) en het creëren van gelijke kansen voor iedereen. Zij loopt dus in de pas van het systeem en van de meritocratie. Bij wie kunnen zij die tegen het systeem (lees: de protest- en antipolitiekstemmers) en zij die niet meekunnen (lees: met de verkeerde vaardigheden) nog terecht? BreuklijnenOnderzoek van het kiesgedrag in 1995 heeft aangetoond dat de kiezers van het Vlaams Blok laaggeschoold zijn en gedreven worden door eigenbelang. Het zijn etnocentrische en materialistische kiezers. Net de tegenpool van de kiezers voor Agalev. Dit heeft de onderzoekers ertoe verleid in deze tegenstelling een nieuwe fundamentele breuklijn te zien, deze tussen mensen met een wantrouwend mensbeeld en mensen met een vertrouwend mensbeeld. Uit wantrouwen tegen de meritocratie pleitten laaggeschoolden voor een autoritaire maatschappelijke orde. Hooggeschoolden daarentegen hebben vertrouwen in de eigen capaciteiten en dus in een democratische orde. Agalev en Vlaams Blok bevinden zich aan de tegenovergestelde zijden van een nieuwe sociaal-culturele breuklijn. Deze zienswijze verbindt breuklijnen met tegengestelde waardenoriëntaties (6). Wij denken dat breuklijnen te maken hebben met tegengestelde belangen. Met de vervanging van de agrarische standenmaatschappij door een industriële klassenmaatschappij kwamen oude belangen in verdrukking en traden nieuwe belangen op de voorgrond. De bevolking werd gemobiliseerd rond het idee van de geseculariseerde en gecentraliseerde nationale staat. Dat bedreigt de machtspositie van de kerk, die zich de exclusieve bewaarster van de ethische principes waant, en van de regio's die autonoom willen blijven en hun identiteit behouden. Deze (oude) sociaal-culturele breuklijnen liggen aan de basis van de katholieke en later christen-democratische partij, en van partijen die het Vlaamse of Waalse subnationalisme uitdragen. De concentratie van de fabrieksnijverheid in oude en nieuwe steden maakt de tegenstelling arbeid-kapitaal explosief en brengt het platteland in conflict met de stad. Socialistische en liberale partijen vinden in de eerste sociaal-economische breuklijn hun bestaansreden. De oprichting van een agrarische partij blijft uit. Agrarische belangen vinden in de katholieke en daarna christen-democratische partij hun verdedigster. Dat partijen zich langs breuklijnen organiseren, is goed voor de democratie. Maatschappelijke tegenstellingen worden op die manier geneutraliseerd in de betekenis dat zij kunnen blijven bestaan zonder aanleiding te geven tot gewelddadige conflicten. Partijen verdedigen dan wel groepsbelangen, maar het gaat om groepsbelangen van een speciale aard. Het zijn groepsbelangen die door middel van een ideologie kunnen worden voorgesteld als algemeen belang, zodat ze een aantrekkingskracht uitoefenen op leden van uiteindelijk alle sociale lagen. We noemen ze collectieve belangen. Wanneer politieke partijen collectieve belangen verdedigen, dan mag men er zeker van zijn dat de fundamentele maatschappelijke problemen op de politieke agenda worden geplaatst. Door collectieve belangen te verdedigen beschikken zij over een natuurlijk electoraat (de dragers van die belangen) aangevuld met kiezers die zich hebben laten overtuigen. Verschillende processen leiden ertoe dat een partij een deel van haar natuurlijk electoraat (en andere kiezers) verliest. Er kunnen zich nieuwe breuklijnen ontwikkelen, die partijen in het leven roepen met een natuurlijk electoraat dat overlapt met het natuurlijk electoraat van de bestaande partijen. Oude breuklijnen kunnen aan belang inboeten, zodat partijen hun bestaansreden verliezen. Partijen kunnen hun bestaansreden verwaarlozen. Er is ook de mogelijkheid dat het natuurlijk electoraat gewoon in aantal sterk vermindert. Volgens deze interpretatie zijn Agalev en het Vlaams Blok georganiseerd rond twee verschillende breuklijnen (6). Agalev ontleent haar bestaansrecht aan een sociaal-politieke breuklijn, de polarisatie rond het vraagstuk van politieke besluitvorming veroorzaakt door de tegenstelling economie-ecologie. Wil men immers de ecologische doeleinden realiseren, dan zal de gemeenschap de uitoefening van het eigendomsrecht door privé ondernemingen sterk moeten beknotten. Bij het Vlaams Blok gaat het om een sociëtale breuklijn, de polarisatie rond de opbouw van een open versus gesloten samenleving die samenhangt met de tegenstelling nationale versus kosmopolitische ontwikkeling. Vlaams BlokHet Vlaams Blok verspreidt een extreem-rechts gedachtegoed dat ingang vindt bij de arbeidersklasse en later bij de middenklasse. Dat gebeurt echter pas nadat de partij zich heeft omgevormd van een autoritaire radicaal nationalistische partij tot een autoritaire populistische antimigrantenpartij. Het is nuttig om eerst te preciseren wat we onder ‘extreem-rechts' en ‘populisme' verstaan. Algemeen staat rechts voor het aanvaarden van een grote mate van ongelijkheid op politiek en economisch vlak. Het is tegen economische democratie (zeggenschap van de gemeenschap over wat, waar en hoe te produceren en hoe het product te herverdelen) en tegen politieke democratie (zowel in de formele als in de inhoudelijke betekenis, tegenwoordig nogal eens inputdemocratie en outputdemocratie genoemd). Radicaal rechts predikt autoritarisme. Gebieders hoeven zich niet te verantwoorden voor hun daden, omdat God of de historische ontwikkeling hen autoriteit heeft gegeven of omdat een of andere sociale of politieke theorie dat legitimeert. Ongelijkheid wordt gerechtvaardigd op grond van nationalistische of (cultuur)racistische argumenten en een aristocratische en organische opvatting van de maatschappij. Radicalisme wordt extreem wanneer het absolutistische aanspraken maakt op de waarheid en zich daarom intolerant opstelt ten opzichte van andere meningen, wat zich kan uiten in een cultus van geweld. Er hoeft niet aan getwijfeld te worden dat het Vlaams Blok extreem rechts is, zoals het fascisme en nazisme dat in het interbellum waren. Populisme is het streven naar een rechtstreekse band tussen het zogenoemde volk en de regering zonder bemiddelende instellingen. De wil van het volk wordt vereenzelvigd met moraliteit en rechtvaardigheid en boven alle andere sociale standaarden en mechanismen gesteld. Het geloof in de deugdelijkheid van het eigen volk en de overtuiging dat dit volk gemanipuleerd wordt door dominante of zogezegd geprivilegieerde groepen of minderheden vormen daarbij dikwijls een voedingsbodem voor vreemdelingenhaat (8). Voor ons betoog zijn drie elementen van belang: radicaal etnisch nationalisme (9), autoritair populisme en antimigrantenpopulisme. Als vorm van etnisch nationalisme vult het Blok het emotionele vacuüm op dat moderniseringsprocessen teweegbrengen in de eerste plaats bij mensen die zich in een anomische situatie bevinden. Moderniteit betekent maatschappelijke en levensbeschouwelijke verscheidenheid en voortdurende verandering van zeden en gewoonten. Werkloosheid, tot in het extreme doorgedreven flexibiliteit en vergrijzing veroorzaken nog meer onzekerheid en anomie. Verscheidenheid en verandering worden dan als een bedreiging ervaren voor de psychologische integriteit. In die omstandigheden kan het zich lid voelen van een groep soelaas bieden, vooral wanneer die groep een etnische groep is. Een Vlaming blijft een Vlaming hoe veramerikaniseerd hij ook moge zijn. Wanneer men zich identificeert met een etnische groep dan erft men een cultuurpatroon dat al generaties lang bestaat en dat men zal doorgeven aan volgende generaties. Migratie voegt daar nog een dimensie aan toe. Allochtonen kunnen ervaren worden als een bedreiging voor de fysieke integriteit, meer bepaald wanneer zij in concurrentie komen voor dezelfde jobs en wanneer er een generaliserend verband wordt gelegd tussen allochtonen en criminaliteit. Maar migratie heeft nog een ander gevolg: zij brengt een dieper gaande culturele verscheidenheid met zich. Een nationalistisch discours kan het dan zo voorstellen dat de aanwezigheid van vreemdelingen een gevaar is voor het voortbestaan van de etnische groep, zodat allochtonen nu ook nog eens ervaren worden als een bedreiging voor de nationale integriteit (10). Als vorm van antimigrantenpopulisme speelt het Blok niet alleen in op het gevoelen van bedreigd te zijn, dat we zo-even hebben beschreven, maar appelleert het ook aan het gevoelen van misdeeld te zijn binnen de welvaartsstaat. Het komt tegemoet aan de wensen van hen, die vreemdelingen willen discrimineren omdat zij profiteren van de welvaartsstaat, die mede gebaseerd is op een sociaal pact afgesloten door het nationaal georganiseerd patronaat en de nationaal georganiseerde arbeidersbeweging zonder enige tussenkomst of bijdrage van vreemdelingen (11). Als vorm van autoritair populisme pretendeert het Blok een alternatief te zijn voor het toenemend centrisme van de democratische partijen, die hun bestaansreden lijken te vergeten en daardoor een legitimiteitscrisis veroorzaken. Hier appelleert het Blok aan het gevoelen van miskenning en aan het politiek cynisme, die beide gevoed worden door de tekortkomingen van het politiek bedrijf. Centrisme betekent dat een partij ernaar streeft een volkspartij te zijn. In feite is enkel de CVP/CD&V als "standenpartij" een volkspartij, d.w.z. een partij die de groepsbelangen van alle sociale strata tracht te behartigen. Andere "volkspartijen" dreigen eerder louter representatiepartijen te zijn, niet veel meer dan kiesverenigingen eigenlijk. Wars van ideologie, wenst een representatiepartij het electoraat niet meer te sensibiliseren voor het grote doel, maar doet zij een rechtstreekse oproep tot de zwevende kiezers. Ideologie wordt vervangen door persoonlijke stijl en dit wordt nog versterkt door de nieuwe massamedia (12). Centrisme betekent dan ook dat linkse partijen de eisen van economische democratie en sociale hervorming niet meer stellen. Als dusdanig is het een knieval van de politieke klasse voor de processen van internationalisering van productie en investeringen. Zij is in de ban geraakt van het neoliberalisme. Het Vlaams Blok speelt dus in op het politieke cynisme en op gevoelens van bedreigd te zijn, van miskend te worden en van misdeeld te zijn. Het resultaat is bekend: een racistische partij is nu de grootste politieke fractie in het Vlaamse Parlement. Hierbij zijn drie vormen van racisme in het spel (13): racisme van de wanhoop bij de kiezers in de stedelijke achtergestelde buurten, die behoren tot de arbeidersklasse en die, in navolging van het Blok, de migranten stigmatiseren als diegenen die verantwoordelijk zijn voor hun onzeker bestaan; distantiërend racisme bij de kiezers uit de betere buurten in en nabij de steden, die behoren tot de middenklasse en die de illusie hebben dat het Blok het migrantenprobleem zal oplossen en dan niet langer moeten vrezen dat hun vredige werk- en woonwereld daardoor zal verstoord worden; puur electoraal racisme bij kiezers in alle delen van Vlaanderen die gewoon baas in eigen land willen zijn. Het is duidelijk: het Vlaams Blok leert de goegemeente naar beneden schoppen. De lagere arbeidersklasse komt tot de ontdekking dat er nog zwakkeren zijn in de maatschappij en puurt daar een machtsgevoel uit. Het is deze lagere arbeidersklasse die, naast de weinig talrijke die-hard nationalisten, het natuurlijk electoraat van het Vlaams Blok vormt. Het zijn de laaggeschoolde arbeiders die geconfronteerd worden met uitsluiting en met concurrentie van de lagelonenlanden en van wat men vroeger de gastarbeiders noemde. Zij hebben een belang bij het conservatieve autoritaire antwoord op de breuklijn nationale versus kosmopolitische ontwikkeling (sluiten van de grenzen in plaats van verwelkoming van migranten). En dit natuurlijk electoraat wordt aangevuld met de verongelijkten en al diegenen die het autoritarisme wel zien zitten. Kapitalisme als oorzaak?Het is niet moeilijk om een verband te leggen tussen (de ontwikkeling van) het kapitalisme en de drie elementen die aan de basis liggen van het succes van het Vlaams Blok. De schakel in het verband tussen kapitalisme en het gevoelen van bedreigd te zijn is de vervreemding in marxistische zin. Het verband tussen het gevoelen van misdeeld te zijn en de ontwikkeling van het kapitalisme is gelegen in het falen door succes van de sociaal-democratie. Het centrisme dat het gevoelen van miskenning en het politiek cynisme voedt is een gevolg van de vervanging van de industriële maatschappij door een meritemaatschappij. Deze vervanging maakt het neoliberalisme aantrekkelijk. Men kan ook verwachten dat zij het belang van oude breuklijnen aantast, omdat deze breuklijnen verbonden waren met de vervanging van een standen- door een industriële maatschappij. Maar is dat wel zo? De breuklijn kerk - seculiere staat lijkt inderdaad achterhaald. De breuklijn regio - nationale staat lijkt eveneens achterhaald, maar dit is een gevolg van de federalisering en niet van de evolutie naar een dienstenmaatschappij. Het is trouwens niet onwaarschijnlijk dat deze breuklijn getransponeerd wordt op een hoger schaalniveau (subnationale regio - supranationale regio). En de breuklijn arbeid - kapitaal? Het is duidelijk dat de tegenstelling arbeid - kapitaal niet meer samenvalt met de tegenstelling tussen arm en rijk. De armoedegrens loopt dwars doorheen de arbeidersklasse. Bovendien bestaat de meerderheid van deze klasse nu uit hoofdarbeiders, hetgeen betekent dat de sociaal-democratie geconfronteerd wordt met een slinkend natuurlijk electoraat. Dat alles maakt het centrisme en het postreformisme van de sociaal-democratie begrijpelijk, maar daarom is de breuklijn arbeid - kapitaal nog niet achterhaald. Wij leven in de kern van de wereld-economie en die wereld-economie is kapitalistisch. Dat kapitalisme zorgt ervoor dat de kenniseconomie in de kern geen weg weet met de industriële vaardigheden van laaggeschoolden. Het belang dat de lagere arbeidersklasse heeft bij een gesloten samenleving is een geperverteerd belang. Het vindt zijn oorsprong in het feit dat het kapitaal in de klassenstrijd in het offensief is gegaan en de sociaal-democratie op de knieën is gegaan. Kapitalisme draagt trouwens racisme in zich. Een van de factoren die het kapitalisme sterk maken is de doctrine van het universalisme.Elk land kan zich ontwikkelen zoals de VS of Europa dat hebben gedaan, op voorwaarde dat het de politieke en economische eisen van formele democratie en kapitalistische markteconomie ter harte neemt. De realiteit spreekt dit universalisme echter tegen. De oplossing om de doctrine toch overeind te houden is dan (cultuur)racisme: ze kunnen het niet, want hun biologie of hun cultuur staat in de weg. Op die manier is het logisch dat in bepaalde fasen van het kapitalisme extreem-rechts opgeld doet. Hoe moeten we dit ‘logisch' opvatten? Zeker niet als een automatisme. De politiek-economische structurering die we geschetst hebben, is geen op zichzelf staande ontwikkeling die dan de opkomst van extreem-rechts tot gevolg heeft. Zij wordt zelf in een bepaalde richting gestuurd door de manier waarop bewegingen en partijen reageren op, en gebruik maken van, de mogelijkheden die de structurering uit het onmiddellijke verleden open laat. Ideologie doet ertoe, want zij maakt een inschatting van wat mogelijk is en bepaalt wat legitiem en moreel verantwoord is. De manier waarop welke ideologie door de mensen wordt geleefd doet er eveneens toe, want zij bepaalt mede de kracht van bewegingen en partijen. En die manier hangt op haar beurt af van de wijze waarop mensen gesocialiseerd en geïnformeerd worden - de vraag van Yves Desmet. Een vruchtbare manier om te omschrijven wat met ‘logisch' bedoeld wordt, is gebruik maken van het begrip inus-voorwaarde, dat door Mackie (14) is bedacht om het probleem op te lossen of een oorzaak nu een noodzakelijke dan wel een voldoende voorwaarde is. Een inus-voorwaarde is een noodzakelijk, maar op zich niet voldoend onderdeel van een verzameling factoren, die niet noodzakelijk is maar wel voldoende. Een brand in een gebouw kan bv. veroorzaakt worden door een kortsluiting. Maar opdat die kortsluiting inderdaad brand zou veroorzaken, moet er nog aan een aantal andere voorwaarden voldaan zijn. De kortsluiting is op zich geen voldoende voorwaarde, maar maakt deel uit van een verzameling, die bestaat uit de kortsluiting en die andere voorwaarden en deze verzameling is dan wel voldoende. Binnen deze verzameling is de kortsluiting een noodzakelijke voorwaarde. De verzameling zelf is dan weer niet noodzakelijk. Brand kan ook ontstaan door het achteloos achterlaten van een smeulende sigarettenpeuk. Het aardige van het begrip inus-voorwaarde is dat het, naargelang van de omstandigheden, op andere oorzaken de aandacht doet vestigen. Stel dat brand is uitgebroken in een ziekenhuis als gevolg van een smeulende sigarettenpeuk. Bij het onderzoek naar de oorzaak van de brand, komt men echter tot de vaststelling dat er in het betrokken lokaal, in tegenstrijd met de veiligheidsvoorschriften, geen blusapparaat aanwezig was. Het kan dan best zijn dat men het ontbreken van een blusapparaat als oorzaak zal aanduiden en niet de smeulende sigarettenpeuk. Passen we dit nu toe. We kunnen dan stellen dat in een bepaalde periode ‘kapitalisme' de naam is van een verzameling van factoren, die niet noodzakelijk, maar wel voldoende is voor de opkomst van extreem-rechts. Aangezien extreem-rechts niet permanent aanwezig is, moeten er voorwaarden van die verzameling deel uitmaken, die behoren tot de categorie ‘afwezigheid van afremmende of verhinderende factoren'. Deze zijn onder meer een sociaal-democratie (of een democratisch socialisme) die haar bestaansreden ontleent aan de breuklijn arbeid-kapitaal, bepaalde vormen van socialisatie en informatie die het individu garanties bieden voor een voldoende zelfbeschikking, een zinvolle verhouding tot anderen en de wereld en voldoende participatie in de democratie. Prioriteiten Ontzuiling leidde niet tot meer pluralisme en politiek-culturele vrijheid. Integendeel, in de plaats van levensbeschouwelijke criteria voor cultuur, opvoeding en vorming, zien we deze van de markt oprukken in het onderwijsveld en in de media. Waar voorheen nog enigszins sprake was algemene vorming dient het onderwijs zich nu volledig te plooien naar beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in de actieve welvaartstaat. Leren voor het leven wordt ingeruild voor levenslang leren in functie van het dwangmatige ‘werk, werk,werk' en het meritocratische ‘gelijke kansen', die per definitie niet haalbaar zijn in een kapitalistische maatschappij. Kennis en inzicht worden niet langer beleefd of geïntegreerd, maar worden opgenomen als producten, verstrekt door een klantvriendelijk bedrijf, gerund en bemand door managers en begeleiders van leerprocessen (15). Ook in de media regeert de markt over vorm en inhoud. Voorheen maakte de oude politieke consensus (parlementaire democratie en regulerende rol van de staat in de economie) tezamen met de rationalistische en pluralistische middenklasse ideologie, een (belerende) openbare televisie mogelijk, die zich zag als behoeder van de democratie en nog pretendeerde boven de partijpolitiek te staan. Het verdwijnen van die consensus betekende het succes van de commerciële zenders met hun emo-tv en aanbidding van spektakel, rijkdom, consumptie en BVs. Veel meer dan het politiek bekrachtigen van de lopende ontwikkelingen zat er sindsdien niet meer in. Kwalitatieve criteria moeten het dan ook verliezen van de kwantitatieve van de markt: zo laag mogelijke kostprijs, zo groot mogelijke kijk en verkoopcijfers. Slechts wat snel en eenvoudig, tijdelijk populair of ‘in' is, laat zich uitzenden, wat afwijkt wordt als ‘te moeilijk' of wereldvreemd terzijde geschoven. Wars van enige missie, ernstige deontologie en ethiek wordt een chaos aan amusement en zogenaamde ‘informatie en duiding' danig over ‘de doelgroep' uitgestort dat ‘de klant' de gedachte greep te hebben op de werkelijkheid volledig verliest (16). De normen en waarden die hem bijgevolg worden bijgebracht, in het onderwijs en in de media, zijn deze van een fictieve normaliteit en een steeds fictief gezond verstand, waarin niet de eigen doelen en gedachten zitten verwerkt, maar deze van het marktconforme gedrag waarbij wordt opgekeken naar wie of wat toevallig populair en machtig is en waar wordt neergekeken op wie of wat dat toevallig niet is. Bij wie zich sociaal-economisch bedreigd, miskend of misdeeld voelt kan dit de sadomasochistische trekken van zijn autoritair karakter alleen maar versterken. En naarmate deze commercialisering van de culturele ruimte zich verder blijft doorzetten zal een steeds groter percentage van de bevolking gevoelig symbiotisch ziek worden: de neiging vertonen voor zijn vrijheid te vluchten en zijn psychische eenzaamheid te overwinnen door zijn zelf te verenigen met een macht buiten zichzelf, zodanig dat beide volslagen van elkaar afhankelijk worden (17). Wat betreft participatie in de democratie staan de zaken er weinig beter voor. De democratie krijgt despotische trekken. Door het losser worden van de banden tussen partijen en sociale organisaties, het centrisme en de tendentiële ontwikkeling van de partijen naar kiesverenigingen, verdwijnen zowel project als debat uit het maatschappelijke leven. Bij gebrek aan wezenlijke verschillen, laat staan echte alternatieven, bestoken de partijen het publiek van atomaire kiezers (‘de mensen') met de populariteit van nauwelijks samenhangende ideeën, voorstellen en kandidaten, die bovendien steeds vaker ‘gemaakt' worden door de media en de marketingstrategen. Van echte bemiddeling, discussie, het georganiseerde meningsverschil is zo goed als geen sprake meer, zowel buiten als tussen en in de partijen. Wat nog schijnt te tellen is ‘veiligheid' en ‘goed bestuur'. Zo begint de democratie aardig te lijken op wat de Tocqueville zich in de jaren dertig van de negentiende eeuw voorstelde: "Ik wil me voorstellen met welke nieuwe trekken het despotisme zich zou kunnen voordoen in de wereld ... Boven (de mensen) verheft zich een immense en beschermende macht, die in haar eentje is belast met het veilig stellen van hun genietingen en het waken over hun lot. Zij zou lijken op de vaderlijke macht indien ze, zoals die, als doel had de mensen voor te bereiden op de volwassenheid; maar ze wil hen, integendeel, slechts onherroepelijk vasthouden in de kinderlijke leeftijd; ze hecht eraan dat de burgers zich vermaken, mits ze aan niets anders denken dan zich te vermaken. Ze werkt vrijwillig aan hun geluk ... kan ze niet de moeite van het denken en de pijn van het leven geheel van hen wegnemen?" (18). Zo wordt de democratie voor de burger wat Fromm ‘de magische helper' noemt voor mensen die hun hele leven op een subtiele wijze met een macht buiten henzelf verbonden zijn en van wie zij bescherming en verzorging willen, maar wie zij ook aansprakelijk stellen voor alle gevolgen van hun eigen handelen (19). Waar we met deze tendensen in het politiek-culturele veld dus heen wilden is de afwezigheid van een aantal voorwaarden als oorzaak van het extreem-rechtse fenomeen. De kern daarvan is de afwezigheid van de emancipatie door onderwijs en cultuur van de burger tot positief vrij individu. Een individu dat zich weet te verzetten tegen die invloeden van buitenaf die zijn vrijwillige solidariteit met anderen afbreken en hem zijn zelfbeschikking uit handen slaan. Wat de commercialisering van de cultuur met zich brengt is, naast verdere vervreemding, de afbraak van de notie opvoeding. Die is gestoeld op het besef dat wat waar, goed en mooi is, geen kwestie is van wat verkoopt of van wat toevallig succes heeft en populair is. Dat de kiezer niet steeds gelijk heeft is niet hetzelfde als beweren dat men de waarheid in pacht heeft, maar wil gewoon zeggen dat mensen ook massaal geestelijk ziek kunnen zijn alsook zich ernstig kunnen vergissen. En dat bij ontbreken van voldoende gelijkheid en het georganiseerde meningsverschil de kans daarop heel groot is. Wij schatten de geschetste tendensen als uitermate ernstig en bedreigend in. Dat wil echter niet zeggen dat zich net als in intellectuele vertogen zich ook in sociale systemen geen aporieën en kansen op veranderingen kunnen voordoen. Neem bijvoorbeeld de nieuwerwetse pedagogie van het leren leren. Hoewel perfect inpasbaar in onze analyse van de commercialisering van kennis, kan men daarin ook hefbomen vinden voor een ander vertoog. Niet alleen wordt daarbinnen over de leraar gesproken als begeleider van leerprocessen, maar ook als een transformationele intellectueel: iemand die op basis van eigen inzicht in maatschappelijke ontwikkelingen zowel inhoud als vorm van lesgeven weet aan te passen. Dat kan betekenen dat hij zich onder druk van de normaliteit nog meer inschakelt in het systeem. Maar dat kan ook impliceren dat wie onze analyse deelt tot de slotsom komt dat de recente pedagogische pleidooien voor fundamenteel en integraal leren gemakkelijk en best kunnen worden vertaald in een verplicht vak filosofie op school (in de zin van leren filosoferen) (20). In een dergelijk vak worden de leerlingen, ongeacht van welke levensbeschouwelijke traditie of cultuur, aangezet tot het vormen van een gemeenschap van onderzoek. Daarin staat het komen tot een hogere waarheid door democratische (socratische) discussie en correct denken centraal en wordt stelselmatig geleerd hoe een levensbeschouwing wordt opgebouwd en noodzakelijk is voor een zinvolle beleving van zichzelf en de relaties tussen zichzelf, de anderen en de wereld. Daardoor verwerft men een groter vertrouwen in zichzelf en komt men tot het inzicht dat vrijheid en gelijkheid horen samen te gaan, dat dwaasheden worden achterhaald en dat verschillen kunnen gerespecteerd worden. Dat is precies het omgekeerde van waar het Vlaams Blok voor staat en naar intentie los van de macht van tradities, zuilen of culturen. Geen multiculturele dialoog, maar een dialoog in gedeelde maatschappelijkheid in het perspectief van de wereldburger. Steeds met een historisch veranderlijke kennis, maar met de aspiratie, naast de te bewaren negatieve vrijheden die het kapitalisme voortbracht, ook de positieve vrijheid en zelfbeschikking te verwerven. Zo krijgen leerlingen meer zin in argumenteren en reflectie en zoeken zij later meer naar een gestructureerd vrij debat, naar gelijkheid, vrijheid en broederschap. De democratie moet in de aanval gaan: "De zege over alle vormen van autoritarisme zal alleen mogelijk zijn wanneer de democratie zich niet terugtrekt maar tot de aanval overgaat, en voortgang maakt met datgene te verwerkelijken wat haar doel is geweest in de geest van allen die in de laatste eeuwen voor vrijheid hebben gestreden. Zij zal alleen over de krachten van het nihilisme triomferen indien zij de mens het sterkste geloof kan geven waartoe de menselijke geest in staat is: het geloof in het leven en in vrijheid als de daadwerkelijke en spontane verwerkelijking van het individuele zelf." (21). Eigen volk eerst? Iedereen eerst! Maar dat kan enkel wanneer de sociaal-democratie ermee ophoudt een volkspartij te willen zijn. Het democratisch socialisme, en tot nader orde rekenen we daar nog altijd de sociaal-democratie toe, en meer in het algemeen, de arbeidersbeweging, moet zich organiseren op de breuklijn nationale versus kosmopolitische ontwikkeling als tegenpool van extreem-rechts en binnen die opstelling ondubbelzinnig de kant kiezen voor de arbeid tegen het kapitaal. Dus het internationale op de voorgrond plaatsen, het postreformisme terugdraaien, een dam opwerpen tegen de toenemende commodificatie. Het zijn de neoliberalen die de echte conservatieven zijn: zij grijpen conceptueel terug naar het kapitalisme van voor 1848. (22).
voetnoten1 Naar Wallerstein, I., The decline of American power, New York, The New Press, 2003, p. 81: "They sought to analyze the Nazi phenomenon in terms of some peculiarity of the German historical situation, instead of seeing that the whole world-system had been playing with fire for a long time, and it had been just a matter of time until sparks would ignite somewhere, somehow." 2 Zie Elster, J., Three challenges to class, in: Roemer, J. (ed.), Analytical Marxism, Cambridge, University Press, 1993, pp. 141-161. 3 In de oorspronkelijke betekenis van opvatting over de staatsordening (de politieke gemeenschap bestaat uit een aantal economische en functionele groepen; daarom moet de vertegenwoordiging of deelname van de individuele burger in de politieke besluitvorming gebaseerd zijn op de functionele groep waartoe hij/zij behoort). 4 We volgen hier Wallerstein (zie o.m. Wallerstein, I., Geopolitics and geoculture, Cambridge, University Press, 1991). 5. Zie voor een overtuigende, goed gedocumenteerde verdediging van deze stelling De Vos, P., Sociaal-democratisch revisionisme en politieke autonomie in de context van globalisering, niet-gepubliceerd proefschrift, Universiteit Gent, 2002-03. 6 Elchardus, M. en Pelleriaux, K., De polis verdeeld - hoe de kiezers links en rechts herdefiniëren, in: Swyngedouw, M., Billiet, J., Carton, A. en Baerten, R. (red.), De (on)redelijke kiezer, Leuven, Acco, pp. 183-210. 7 Wanneer men, zoals wij dus doen, de breuklijnentheorie gebruikt om de ontwikkeling van partijstelsels te verklaren, dan heeft dit een bepaalde consequentie: partijen die in opeenvolgende verkiezingen electoraal succes hebben en daardoor een politieke factor van belang zijn geworden, moeten hun bestaansreden vinden in een breuklijn. Ten voordele van de theorie pleit dat uitzonderingen die de regel ontkrachten, zoals D66 in Nederland, zeldzaam zijn. Het Ierse partijstelsel is binnen Westelijk Europa dan weer een uitzondering die de regel bevestigt. De dominerende partijen (Fianna Fáil en Fine Gael) zijn ontstaan als politieke facties van de bevrijdingsbeweging door zich af te scheiden van Sinn Féin, de radicale vleugel van de beweging. Volgens de breuklijnentheorie is dat ook logisch. Het maatschappelijk probleem voor Ierland was niet de opbouw van een geseculariseerde staat of de deelname in de industriële revolutie, maar de dekolonisering ten opzichte van Groot-Brittannië. 8 Naar Bullock, A. en Stallybrass, O. (eds), The Fontana dictionary of modern thought, London, Fontana/Collins, 7th impr., 1981, p. 487. 9 Er zijn aanwijzingen dat het Vlaams Blok zijn etnisch nationalisme (streven naar congruentie tussen staat en etnische groep) aan het vervangen is door louter cultureel nationalisme (streven naar congruentie tussen staat en cultuur), maar dit maakt ons betoog niet minder geldig. 10 Deze drie vormen van bedreiging hebben we ontleend aan Van Leeuwen, B., Erkenning, identiteit en verschil, Leuven, Acco, 2003 (zonder daarmee zijn sociaal-filosofische standpunten over te nemen). 11 Zie Deslé, E., De betekenis van (internationale) arbeidsmigraties en van het racisme voor de ontwikkeling van de (nationale) welvaartsstaat, in: Deslé, E. en Martens, A. (red.), Gezichten van hedendaags racisme, Brussel, VUBPress, 1992, pp. 219-262. 12 Taylor, P.J., Political geography, Harlow, Longman, 3rd ed. 1993, pp. 256-257. 13 We volgen hier Kesteloot C., Stedelijkheid in Vlaanderen: een nieuwe politieke inzet, Vlaams Marxistisch Tijdschrift 33 (1999), nr. 4, 18-30. 14 Mackie, J.L., The cement of the universe, Oxford, Clarendon Press. De notie stelde Mackie (en ons) in staat een eindeloze regressie tegen te gaan in het bepalen van verantwoordelijkheid. 15 Zie ook Saey M., Een democratisch onderwijs voor een democratische wereld, opiniestuk, Indymedia, 3-12-2002. 16 We ontleenden het meeste aan Bottelberghs, P, Na ons de zendvloed? Een nieuwe televisie voor een multiculturele samenleving, Berchem, EPO, 1995. 17 Zie Fromm, E., Angst voor de vrijheid, Utrecht, Bijleveld, p.139. Hoewel symbiose kadert in zijn psychologie van het sadomasochisme, lijkt het in toenemende mate ook van toepassing op al wie zich door angstgevoelens slaafs onderwerpt aan simplistische ideologieën. Het is deze psychologische verhouding die de blokkiezers kenmerkt in hun vasthoudendheid: eens de keuze gemaakt... Op de wisselwerking tussen deze socialisatie en de primaire socialisatie in gezin en buurt - en de hieraan verbonden noodzaak van politieke buurtwerking en stedelijk beleid - kunnen we hier niet verder ingaan. 18 Uit de inleiding van Kinneging, A. bij de Tocqueville, A., Democratie: wezen en oorsprong, Kampen, Agora, 2004, p.30. Hoewel het ons zelf al was opgevallen, maakt ook Holthof M. in nog harder bewoordingen dezelfde vergelijking ; in: Blommaert, J. e.a., Populisme, Berchem, EPO, p.154. Deze paragraaf was enigszins gelijklopend met een deel van vermeld boek. We willen er evenwel op wijzen dat we een conceptueel verschil blijven hanteren tussen populisme en populair doen, en tussen een populistische partij en een volkspartij. Hoewel we ook, zij het op andere wijze, een algemene verrechtsing zien optreden, blijft het populisme van het Vlaams Blok voor ons toch nog verschillen van het populair doen van de andere partijen. 19 Cfr. Fromm E., idem., p.152. 20 Zie ook Saey, M., De nieuwe leerplannen niet-confessionele zedenleer, artikel op vraag van de inspectie, niet-gepubliceerd. Momenteel wordt er vanuit enkele centra en verenigingen sterk bij de overheid op aangedrongen een dergelijk vak te verplichten. 21 Fromm, E., idem., p.238. 22 In slogans vertaald: opkomen voor betere arbeidsvoorwaarden en sociale mobiliteit, in de kern, maar vooral in de periferie, herverdeling op wereldschaal, ondubbelzinnig partij kiezen voor diegenen die uitgebuit, uitgesloten (noch als producent noch als consument van belang geacht), politiek onderdrukt en cultureel bevoogd worden, hier en in de rest van de wereld. Er is toch niets mis met een beweging en een partij, die in de eerste plaats opkomen voor de geketenden van deze wereld?
Reageren? Mailen naar
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
|