|
Het was een opvallende maar weinig opgemerkte uitspraak die Frank Vanhecke in zijn maidenspeech als Vlaams Belang-voorzitter deed: "Wij zijn niet verantwoordelijk voor het terugschroeven van de vrije meningsuiting en voor het ontstaan van allerhande muilkorfwetten die een democratie onwaardig zijn." Dat zei hij op 12 december 2004 voor de zowat duizend VB-militanten die naar het partijcongres in de Antwerpse stadschouwburg waren afgezakt. Wat Vanhecke met "muilkorfwetten" bedoelt? Onder meer de wet die de ontkenning van de holocaust bestraft. Een wet die tien jaar geleden nochtans mee door het VB werd goedgekeurd.
Zaterdag 8 juni 1996. Onder de titel Het volk beslist: meer democratie in een vrij Vlaanderen organiseert het Vlaams Blok in het Cultureel Centrum van Dilbeek een ideologisch congres over democratie. Een van de werkgroepen handelt over Rechten en Vrijheden. Zowat een kwart van de aandacht gaat naar de bewijsvoering dat de wet op het racisme de vrije meningsuiting beknot. Maar over de wet op het negationisme, die de ontkenning van de holocaust bestraft, zwijgt het Vlaams Blok in alle toonaarden. Dat wil zeggen: het noemt die anti-negationismewet noch een terechte noch een onterechte rem op de vrije meningsuiting. Het vernoemt die wet gewoon niet, alsof hij niet bestaat. Komedie Dat is opmerkelijk. Toen het VB die wet een dik jaar eerder, in 1995, mee goedkeurde, zorgde dat voor een nooit geziene storm van protest binnen het extreem-rechtse kamp. Ook bij organisaties die doorgaans beste maatjes zijn met het VB. 'Van uw vrienden moet ge het hebben!' klonk het sarcastisch in de nieuwsbrief van de Vlaamse holocaustontkenners van het zogenaamde Vrij Historisch Onderzoek (VHO). 'Vanaf nu mag met recht en rede gezegd worden dat het Vlaams Blok een anti-democratische partij is, aangezien zij mee een wet heeft gestemd die de vrije meningsuiting ondergraaft.'[1]
'Deze goedkeuring door het Vlaams Blok is dom en ondoordacht,' klaagde Were Di-voorzitter Bert van Boghout in Dietsland-Europa. 'Ik betreur dat uit de grond van mijn hart en hoop dat dit in de toekomst op een of andere wijze zal rechtgezet worden door een of andere Vlaams Blok-volksvertegenwoordiger die, naar een vroeger woord van Karel Dillen, "zijn geweten boven zijn mandaat" kan stellen.'[2] Dat het VB die wet goedkeurde om geen andere reden dan om zijn vege lijf te redden, kon op weinig begrip rekenen. De partij was er als de dood voor zwaar te moeten boeten als ze tegen de wet zou stemmen. Ze riskeerde dan als sanctie haar miljoenensubsidies kwijt te spelen. Daarmee zou ze grotendeels op droog zaad komen te zitten en haar werking zwaar moeten inkrimpen. Die prijs was te zwaar om te betalen. Het oude principiële standpunt tégen een anti-negationismewet moest daarom wijken. Het VB had zich dan maar moeten onthouden, schreef de leiding van Voorpost in een misnoegde brief aan het partijbestuur. 'De goedkeuring door het Vlaams Blok van de zogenaamde anti-negationismewet heeft ons verbaasd en ontgoocheld. [...] Vandaag wordt het negationisme verboden. Straks wordt elke discussie over het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens allicht wettelijk onmogelijk gemaakt. [...] Een partij die de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel voert, had elke medewerking aan deze komedie moeten weigeren.'[3] Die harde woorden liggen op het democratiecongres van 8 juni 1996 nog vers in het geheugen en zwaar op de maag. In die mate zelfs dat Karel Dillen er in zijn afscheidsrede als partijvoorzitter wél op terugkomt. Dillen heeft het over een nog steeds knagende gewetensvraag, een betreurenswaardige beslissing, een geheim dat hij vroeg of laat hoopt te ontbloten 'ontdaan van de passies van het ogenblik waarop zo'n beslissing viel'. Terugblikkend op zijn laatste voorzittersjaren spreekt Dillen de volgende woorden: 'Wanneer wij in het verleden al eens een enkele keer met een gewetensvraag geconfronteerd werden, dan moest een beslissing hoe dan ook genomen worden. Ook die beslissing was dan mijn verantwoordelijkheid en de mijne alleen. Ik wil dan wel degenen die te goeder trouw zijn, maar dan hen alleen, erop wijzen dat dergelijke uitzonderlijke partijbeslissingen bepaald werden door andere maatstaven en overwegingen dan degene die gelden voor de Einzelgänger. Wat niet wegneemt dat zulke uitzonderlijke partijbeslissing me tot het einde van mijn dagen zal blijven achtervolgen en kwellen. Was ze goed? Was ze juist? Kon en mocht het wel anders? En het zijn niet de harde woorden, mondeling of schriftelijk, die de gewetensvraag lichter maken.'[4] Volgens het goed ingelichte weekblad 't Pallieterke leidde het geen twijfel wat Dillen bedoelde: 'Iedereen die ietwat met politiek bezig is, voelde natuurlijk met de ellebogen aan dat Dillen de schandalige "wet op het revisionisme" bedoelde, die in onze zogenaamde democratische rechtsstaat het opiniedelict heeft ingevoerd.'[5] De wet op het negationisme legt straffen op aan eenieder die 'de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, ontkent, schromelijk minimaliseert, poogt te rechtvaardigen of goedkeurt,' aldus de wettekst van 23 maart 1995. Het negationisme of de ontkenning van de holocaust (soms verkeerdelijk ook revisionisme genoemd, wat niets anders betekent dan herziening van de geschiedenis - een normale wetenschappelijke bezigheid)[6] wordt daarmee wettelijk de mond gesnoerd. Het taboeJarenlang had het VB zijn achterban beloofd zo'n wet nooit te laten passeren. Al van in de beginjaren maakte het daar in zijn maandblad, waarvan Karel Dillen steeds de verantwoordelijke uitgever was, een punt van.[7] Eind 1981, met Karel Maurissen als hoofdredacteur en op een oplage van 10.000 exemplaren, verschenen op bladzijde 3 en 5 twee niet ondertekende stukjes: 'We weten niet precies of het ondertussen door de uitzonderingswetgeving van Moureaux (bedoeld wordt de wet op het racisme, nvda) strafbaar is geworden nog een vraagteken te zetten achter het taboe van de zes miljoen door de nazi's omgebrachte Joden. Wél weten we dat dreigen met gerechtelijke vervolging om de juistheid van een historische zienswijze te bewijzen, het allerpoverste argument is dat kan gevonden worden. Wij zullen ons door dat soort argumenten nooit laten overtuigen, integendeel. [...] Dat geen andere argumenten overblijven, danken deze heren alleen aan de systematische geschiedenisvervalsing die na 1945 werd doorgevoerd. Een repressieve wet is het argument van de wanhoop. Maar het zal niet kunnen voorkomen dat steeds meer eerlijke mensen zich vragen gaan stellen bij het taboe van de zes miljoen door de nazi's omgebrachte joden.'[8] Dat is geen eenmalige uitschuiver. Begin 1982 drukt het partijblad opnieuw een stukje af met een gelijkaardige visie: 'Voor sommige oorlogsmisdaden wil het goed fatsoen dat je eens een cijfertje laat vallen, voor een andere doe je er dan een cijfertje bij.'[9] In datzelfde jaar laakt Eric de Lobel de aangrijpende Amerikaanse televisiereeks Holocaust omdat die jongeren zou beladen met 'schuldcomplexen' en 'haat tegen alles wat Duits is'.[10] Hoofdredacteur Karel Maurissen bindt twee jaar later de kat opnieuw de bel aan. 'Waarom met alle geweld willen vasthouden aan het magisch getal van 6 miljoen, als er zoveel aanwijzingen zijn dat dit getal niet juist is,' schrijft hij eind 1984. Maurissen verdedigt er ook het recht op vrije meningsuiting van de negationisten Robert Faurisson en Paul Rassinier.[11] Omdat die zogenaamde vrije meningsuiting, ook voor wie de uitroeiing van zes miljoen joden door de nazi's ontkent, toch ergens aan bod moest komen, zette het Vlaams Blok in het midden van de jaren tachtig, op het moment dat Karel Dillen het hoofdredacteurschap waarneemt, er zelfs even zijn lezersrubriek voor open. In april 1985 drukt het partijblad een brief af van 'uw genegen W.D.' uit Tienen: 'Het is tijd dat de geschiedenis van de twintigste eeuw wordt herschreven en de gangstermethoden van de zogenaamde overwinnaars uit de doeken worden gedaan, alsook de legende van de zes miljoen joden.'[12] Wat een andere lezer vervolgens verontwaardigd in de pen doet klimmen: 'Wanneer W.D. zonder blozen durft schrijven over de legende van de zes miljoen joden, dan meen ik te mogen zeggen dat deze persoon niet thuis hoort in het Vlaams-nationale kamp.'[13] Daar was de partijleiding het evenwel niet mee eens. In een commentaar liet ze weten dat 'alle meningen in deze rubriek aan bod moeten komen' - dus ook diegene die de holocaust ontkennen of minimaliseren. Meteen werd de discussie echter voor gesloten verklaard. 'Het is niet de bedoeling eindeloze polemieken over geschiedkundige onderwerpen aan te gaan.' Dat laat het Blok liever aan anderen over. Al kunnen sommigen het toch niet laten. Zo breekt Frank Vanhecke in 1989 in het partijblad tot tweemaal toe een lans voor de beruchte Franse negationist Robert Faurisson. Duidelijk vertrouwd met diens oeuvre schrijft Vanhecke onder de titel Salman Faurisson: 'Zijn misdaad: het verkondigen van de mening dat de vergassing van miljoenen joden tijdens de tweede wereldoorlog nooit heeft plaatsgevonden, omwille van het feit dat de gaskamers niet hebben bestaan en materieel ook niet konden functioneren. Men kan hierover denken wat men wil . [...] Het gaat er dan ook niet om hier een oordeel te vellen. Of Faurisson nu al of niet gelijk heeft, is een zaak die van weinig belang is, vergeleken met de problemen waar Europa vandaag mee te kampen heeft. Maar gelijk of ongelijk, feit is dat hier een man, uitsluitend om het verkondigen van zijn mening, wordt gebroodroofd en gerechterlijk vervolgd. [...] We kunnen de professor slechts de goede raad geven zich in het vervolg te specialiseren in kinderporno en pedofilie. Dat is véél veiliger en kan bovendien rekenen op medewerking van de jet-set der vrije meningsuiting.'[14] Eerder had Vanhecke Jean-Marie Le Pen als 'slachtoffer van een heksenjacht' voorgesteld, nadat die eind 1987 zwaar bekritisieerd werd omdat hij de gaskamers 'een detail in de geschiedenis' had genoemd.[15] Nog in de jaren negentig hanteert het Blok verschillende malen de titel 'Aids: de échte holocaust', tot op de cover van het partijblad in koeien van letters toe.[16] Daarmee wordt op zijn minst geïnsinueerd dat er ook een valse holocaust bestaat. Uitbuiters
Het is partijvoorzitter Karel Dillen zelf, en enkel en alleen hij, die in het partijblad van februari 1995 komt uitleggen waarom het VB dan toch de wet op het negationisme heeft goedgekeurd. Dat is een uitzonderlijk en daardoor betekenisvol initiatief, want buiten zijn maandelijkse rubriek De Voorzitter publiceert Dillen dan geen artikels meer. 'Antwoord aan de politieke uitbuiters van menselijk leed' is zijn reactie van nauwelijks éénvierde pagina getiteld. Het is een merkwaardig stukje proza, waarin elk woord weloverwogen is, en wat er niet staat nog veelzeggender is dan wat er wel staat. Dillen betuigt er om te beginnen 'ons diep medeleven met de verschrikkelijke tragedie welke de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog gekend hebben.' Dat betekent evenwel niet dat hij de officiële geschiedschrijving bijtreedt. Wélke tragedie, de omvang ervan, de manier waarop, ... Dillen houdt het allemaal vaag. Voor de hand liggende begrippen als gaskamers, uitroeiingskampen, zes miljoen joden, holocaust, ... Dillen mijdt ze opvallend. Daarmee laat hij in het midden of die nu wel of niet realiteit waren. Dillens stukje is ook absoluut niet bedoeld om de negationisten als geschiedenisvervalsers te brandmerken. Met de politieke uitbuiters uit de titel blijkt hij helemaal niet de holocaust-ontkenners te bedoelen, maar wel hun tegenstanders. Een half artikel lang wordt eenieder die het VB met het negationisme in verband durft te brengen de mantel uitgeveegd. Dillen: 'Wij kunnen slechts onze verachting uiten voor dit stel rekels uit Vlaanderen of elders die zelf op een schandelijke, ja weerzinwekkende wijze zich te buiten gaan aan een politiek misbruik van het onnoemelijk leed der joden om een politieke partij - het Vlaams Blok - aan te vallen en in een kwalijk daglicht trachten te stellen. Zij horen aan de schandpaal, niet de mensen van het Vlaams Blok. Ik klaag derhalve scherp de politieke hyena's van de linkerzijde en van de beschaamde rechterzijde én hun soortgenoten van de mediawereld aan.' De goedkeuring van de anti-negationismewet is niet meer dan een afleidingsmanoeuvre, bedoeld om de buitenwacht in verwarring te brengen. Want het betekent niet dat het VB de ontkenners van de holocaust het zwijgen wil opleggen. Dillen: 'Met menselijk leed mag niet en nooit de spot gedreven worden. Dàt is de zin van onze goedkeuring van een voorstel dat in hoofde van de voorsteller zelf niet die bekommernis kent. Wie iets anders in dit voorstel zoekt, komt bedrogen uit. Het kan noch mag de bedoeling hebben de meningsvrijheid te beknotten of ernstige geschiedenisvorsing in de weg te staan.'[17] In een context waarin de negationisten rechtstreeks noch onrechtstreeks met de vinger worden gewezen, maar hun tegenstanders wel, is dit geen dubbelzinnige boodschap meer. Partijtucht
Over de houding van het VB ten aanzien van de holocaust is het laatste woord nog niet gezegd. Zeker is dat verschillende parlementsleden zwaar tegen hun zin de anti-negationismewet goedkeurden. 'Uit goede bron vernemen we dat de meningen in het Vlaams Blok nogal verdeeld waren, maar de partijtucht vereiste dat er een gezamenlijk standpunt ingenomen werd,' meldde de Antwerpse NSV-praeses Roeland Buisseret, zoon van toenmalig parlementslid Xavier Buisseret, in het NSV-blad Branding.[18] 'Zo zou men het kunnen stellen,' bevestigt toenmalig Blok-ondervoorzitter en senator Roeland Raes in een interview dat ik een half jaar na datum met hem had.[19] 'Maar eenmaal men gezegd heeft: we gaan die houding innemen, heeft iedereen zich daar bij neergelegd.' Roeland Raes (°1934) is een bevoorrecht getuige. Samen met de zonet vermelde Xavier Buisseret behoort hij tot de eerste promotoren van het negationisme binnen het Vlaamse rechts-radicale wereldje. Al deed hij dat steeds via andere kanalen dan het Vlaams Blok, zoals de tijdschriften Dietsland-Europa van Were Di of (in mindere mate) Revolte van Voorpost, waarvan Raes tot 1989 de hoofdredacteur was (een functie die hij eind 2001 opnieuw opnam na zijn gedwongen ontslag als VB-ondervoorzitter en -senator). 'In een publicatie die geen Vlaams-Blokpublicatie is, kan ik iets ruimer mijn mening verkondigen dan ik dat als parlementair kan. Misschien zit daar een zekere schizofrenie in,' geeft Raes toe.
Xavier Buisseret komt de bedenkelijke eer toe uiterst-rechts Vlaanderen voor het eerst sinds de gruwelen van de holocaust massaal in contact te hebben gebracht met de ontkenners ervan. Toen Buisseret in 1976 de onbetwiste leider van de VMO werd, bracht de organisatie prompt een Nederlandse vertaling op de markt van het boekje Stierven er werkelijk zes miljoen? Eindelijk de waarheid van Richard Harwood, waarin de holocaust botweg ontkend wordt. De zaak bleek voor Vlaanderens toekomst wel erg belangrijk, want 'alle Alarm-lezers en VMO-militanten' werden aangepord 'aan de verspreiding van deze brochure mee te werken'.[20] Ook alle abonnees kregen een exemplaar toegestuurd. Het initiatief was blijkbaar zo'n succes dat toen Buisseret eind 1977 met het tijdschrift Haro begon, de publikatie van negationistische brochures werd voortgezet. In de lente van 1979 bracht Haro een dubbeldik themanummer Holocaust... hoe lang nog? uit, samengesteld door Siegfried Verbeke, maar met Buisseret als verantwoordelijke uitgever, die toen reeds propagandaleider van het Vlaams Blok was. De holocaust wordt daarin respectievelijk ontkend, schromelijk geminimaliseerd en gerechtvaardigd. 'Ook voor ons taalgebied was er wel nood aan een revisionistische uitgave,' wist VB-ondervoorzitter Roeland Raes in Dietsland-Europa erover te melden. 'Zeker sinds sluwe zakenlui met de holocaust-zwendel weer eens klassieke thema's aanroeren zoals de zes miljoen verdwenen joden.' De Haro-brochure, aldus nog Raes, is 'het passende antwoord op de door links én israëlitische kringen geïnspireerde anti-Duitse en anti-rechtse hetze!"[21] De uitgave bleek een schot in de roos. Hoewel Haro nooit meer dan tweehonderd betalende abonnees telde, raakte de eerste oplage van zomaar eventjes tweeduizend exemplaren al na drie luttele maanden uitverkocht. Siegfried Verbeke zou er tot op de dag van vandaag de verbetenheid uit putten om via het zogeheten Vrij Historisch Onderzoek (VHO) van de holocaustontkenning zijn levenswerk te maken. De anti-negationismewet maakt dergelijke publicaties voortaan strafbaar, maar verandert niets aan wat een deel van extreem-rechts over het onderwerp denkt. Desgevraagd geeft Raes vlakaf toe dat de officiële geschiedschrijving over de judeocide zijn voorkeur niet wegdraagt. 'Wij menen dat men elk historisch gegeven of elke historische theorie steeds moet kunnen toetsen aan nieuwe gegevens. Men moet dat niet op een beledigende of een domme manier doen door bijvoorbeeld te zeggen dat er helemaal geen vervolging is geweest of dat de concentratiekampen eigenlijk grote speeltuinen waren. Er is een vervolging geweest, dat is duidelijk. Over het aantal slachtoffers ga ik mij nu niet uitspreken, daar is discussie over mogelijk.' De nuances van Raes zijn sluw en veelzeggend. Als een volleerd discipel van de negationistische grootmeesters in de misleiding spreekt Raes wel over concentratiekampen, maar niet over uitroeiingskampen. Dat onderscheid is belangrijk: de negationisten erkennen dat er joden zijn opgesloten in concentratiekampen, maar ontkennen het bestaan van uitroeiingskampen. De negationisten wijten de dood van joden aan ziektes en aan de slechte levensomstandigheden in de kampen, niet aan een massale vergassing. Op mijn vraag of hij erkent dat er uitroeiingskampen hebben bestaan waarin massa's joden zijn vergast, antwoordt Raes behoedzaam ontwijkend. 'Er zijn alleszins massa's joden omgekomen, zoals er ook zigeuners en politieke gevangenen zijn omgekomen. Of dit nu ten gevolge van vergassing is of van ziekten die in de kampen zijn uitgebroken, daar ga ik me nu vandaag tegenover u niet over uitspreken.' Toch hield ook Raes zich aan de door Karel Dillen opgelegde richtlijn. Met pijn in het hart stemde hij voor de negationismewet. 'Ik ga u toch niet verbazen met te zeggen dat ik die wet liever niet had gehad. Dan hadden we ons eigen gewetensprobleem niet gehad.' De ja-stem van de Blok-fracties kwam er niet van harte. Raes: 'Wij hebben louter om redenen van partijpolitieke opportuniteit ervoor geopteerd die houding aan te nemen. Wij wensen ons niet van het politieke slagveld te laten verwijderen op grond van beschouwingen rond deze wet alsof dat voor het Vlaams Blok het belangrijkste thema is. Terwijl wij andere thema's hebben, wij zijn voortdurend bezig met de politiek van vandaag en met die voor morgen. En als politieke partij besteden wij liever geen energie aan het voortdurend oprakelen van zaken uit het verleden. Wat niet wegneemt dat mensen die daar tijd en aanleg voor hebben daar wel rond bezig kunnen zijn.' Een nieuwe repressie
Negen maanden na de anti-negationismewet weigert Roeland Raes samen met de andere leden van de VB-senaatsfractie een voorstel goed te keuren betreffende de instelling van een dag ter herdenking van de door nazi-Duitsland gepleegd genocide. De senatoren Buelens, Ceder, Raes, Van Hauthem en Verreycken onthouden zich. De VB'ers zijn niet te vinden voor een herdenkingsdag die exclusief aandacht besteedt aan de misdaden van het nazi-regime. Ze willen zo'n dag verruimen tot ook alle andere volkerenmoorden, ook diegene waarbij (een deel van) Vlaanderen of Europa geen betrokken partij was. 'Wij menen dat het selectief aanwijzen van één volkerenmoord als afschrikwekkende gebeurtenis kan leiden tot de onbewuste bedenking dat slechts die ene volkerenmoord als negatief moet worden beschouwd en dat alle andere volkerenmoorden getolereerd kunnen worden,' verdedigt fractieleider Wim Verreycken zich. 'Het Vlaams Blok meent dat de nagedachtenis van alle slachtoffers van alle volkerenmoorden te waardevol is om deze te misbruiken voor politieke momentopnames.'[22] In één ruk kondigt Verreycken een tegenzet aan. In plaats van een herdenkingsdag van de nazi-genocide stelt hij voor elk jaar op 21 december een Dag van de verzoening te organiseren. Daarbij verwijst hij toch weer expliciet naar de tweede wereldoorlog en de naweeën daarvan. 'Ik meen dat deze Kersttijd veel meer geschikt is als dag van de verzoening, dan als een dag die enkel één dramatische episode uit onze recente geschiedenis benadrukt. Wij zouden beter de gemeenschapsministers oproepen om in het geschiedenisonderricht te doen wijzen op het historische fenomeen van verzoening, dat altijd en overal op strijd is gevolgd. Ik ben er mij van bewust dat de geesten in België nog niet rijp zijn voor het verwerken van dit historische fenomeen en dat de onderlinge verstandhouding nog enkele generaties gehypothekeerd zal blijven door de tegenstellingen van vijftig jaar geleden.'[23] Vier jaar na de goedkeuring ervan staat de anti-negationismewet opnieuw op de politieke agenda. In het voorjaar van 1999 stemmen Kamer en Senaat over de uitbreiding met een nieuw artikel. Dat moet het mogelijk maken politieke rechten te ontzeggen aan wie veroordeeld wordt wegens ontkenning, minimalisering of goedkeuring van de door nazi-Duitsland gepleegde genocide. Als enige politieke fractie stemt het Vlaams Blok tegen. Enige uitleg geeft het daarbij niet. De partij verbergt zich achter haar verzet tegen de anti-racismewet die tegelijkertijd met eenzelfde artikel wordt uitgebreid.[24] 'Een onwaardig ding,' noemt senator Wim Verreycken dat.[25] In de Kamer gewaagt Bart Laeremans van 'een nieuwe repressie [...] een gelijkaardige situatie als vijftig jaar geleden.'[26] 'Een slechte dag voor de democratie,' besluit Gerolf Annemans.[27]
[1] VHO-Nieuwsbrief, jg. 6, nr. 1, 1995. [2] Dietsland-Europa, mei 1995. [3] Revolte, 2de kwartaal 1995. [4] Vlaams Blok, juni 1996. [5] 't Pallieterke, 03.07.1996. [6] Van den Berghe G., De uitbuiting van de Holocaust, 1990. [7] In tegenstelling tot wat Stijn Vanermen beweert in De ontkenning van de jodenuitroeiing, 1996, p. 123. [8] Vlaams Blok, september 1981. [9] Vlaams Blok, maart 1982. [10] Vlaams Blok, december 1982. [11] Vlaams Blok, augustus-september 1984. [12] Vlaams Blok, april 1985. [13] Vlaams Blok, juni-juli 1985. [14] Vlaams Blok, april 1989 en november 1989. [15] Vlaams Blok, oktober 1987. [16] Vlaams Blok, januari 1990. [17] Vlaams Blok, februari 1995. [18] Branding, januari-februari 1994. [19] Interview Roeland Raes, 15.09.1995. [20] Alarm, september 1976. [21] Dietsland-Europa, augustus 1979. [22] Belgische Senaat, Parlementaire Handelingen, 21.12.1995. [23] Belgische Senaat, Parlementaire Handelingen, 21.12.1995. Zie ook: Verreycken W., Wetsvoorstel tot invoering van een Dag van de verzoening, Belgische Senaat, 31.01.1996, 1-241/1. [24] Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden alsmede van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, -1934/1 - 98/99, 19.01.1999. [25] Belgische Senaat, Parlementaire Handelingen, 30.04.1999. [26] Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Handelingen van de plenaire vergaderingen, 20.04.1999. [27] Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Handelingen van de plenaire vergaderingen, 22.04.1999.
|