Thursday 02 September 2010


weblogs-tegen-racisme.be.gifRapporteer Cyberhate!

STANDPUNTEN
Actueel
Programma
Dossiers
Economisch congres
Column
Anekdotes
Quiz
101 Redenen
DE PARTIJ
Waarom Vlaams Belang?
De voorzitter
Organisatie
Geschiedenis
Verkiezingen
Dissidenten
Bevriende groepen
Internationaal
VERKOZENEN
In de parlementen
Stemmingen
Voorstellen
In de gemeenten
IN DE MEDIA
Dagelijks persoverzicht
Kranten en tijdschriften
Wetenschappelijke teksten
Radio en televisie
Boeken en brochures
Boekbesprekingen
Persberichten
Debat
CONTACT
E-magazine
Meewerken
Steunen
Thesisservice
Waarom deze website?
Andere websites
Colofon
PROPAGANDA
Activiteiten
Foto's | E-Cards
Cartoons | E-Cards
Blokwatch TV
Webwinkel

blokwatch gratis stickers


Boekbespreking - Helmut Gaus: 'Opgang en verval van extreem-rechts' PDF Afdrukken E-mail
Boekbesprekingen
Geschreven door Mark Saey   
Wednesday 02 February 2005

2004
OPGANG EN VERVAL VAN EXTREEM-RECHTS. Bijdrage tot de studie van politieke cycli
Helmut Gaus
Gent, Academia Press, 86 blz.

Prijs: 7,00 EURO

U kan het boek hier bestellen.
Bestel dit boek nu bij Boekhandel De Groene Waterman (hier klikken) 

 

De overgrote meerderheid van boeken over het VB of over extreem-rechtse partijen zijn van een beschrijvende aard: welke extreem-rechtse partijen bestaan er, wat is hun geschiedenis, hun organigram, hun ideologie ... In een bibliotheek vindt men niet veel werken waarin de opkomst van extreem-rechts ook verklaard wordt.

In dat licht bekeken is het verklarende werk van Helmut Gaus, voorzitter van de vakgroep politieke wetenschappen van de U.Gent, welgekomen.

Het opent ook veelbelovend: "De verwaarlozing van elementaire methodologische vragen en het daaruit voortvloeiende gebrek aan inzicht in het verschijnsel extreem-rechts heeft ook als consequentie dat op het politieke vlak de bestrijding van extreem-rechts niet lukt omdat men volkomen foutieve strategieën uitbouwt." (p.8)

Om daaraan te verhelpen beschikt Gaus over een paar goede troeven. Hij beperkt zich niet tot een politicologische invalshoek, maar gaat interdisciplinair te werk. En Gaus vergelijkt de meest recente opgang van extreem-rechts met eerdere periodes waarin extreem-rechts sterk kon worden om zo tot een selectie van causale factoren te komen.

Toch speelt hij die troeven niet goed uit. Er rijzen immers teveel problemen wanneer men zijn theorie, die op het meest algemene niveau misschien wel wat zegt, van dichterbij bekijkt.

De theorie

De kern van Gaus zijn theorie staat op p.65 zo: "de bloei van extreem-rechts (is) inderdaad een cyclisch verschijnsel dat synchroon loopt met de dalfasen van de lange golf of Kondratieff: rond 1890, rond 1930 en rond 1990. En verder dat die bloei ingebed is in een algemeen pessimistisch klimaat dat de mentaliteit van een heel tijdperk kenmerkt, en dus niet zomaar een mechanistische reflex die kan gereduceerd worden tot een soort pessimisme, die vooral het gevolg is van een economische recessie en hoge werkloosheid. De neergaande fase en de dalfase van een lange golf gaan gepaard met een algemeen gevoel van existentiële onzekerheid dat in zeer verscheiden gebieden tot uiting komt, tot zelfs in de kunsten en in het religieuze gedrag toe. Ten gevolge daarvan komt ook de emotionaliteit sterk in het centrum van de belangstelling te staan ... wordt getwijfeld aan het belang van de rede en de redelijkheid, en van de realiteit, winnen familiebanden weer aan belang, moeten geschiedenis en nationalisme en andere roots weer houvast bieden."

Met vermelde onzekerheid omschrijft Gaus wat hij elders in navolging van andere onderzoekers de angst noemt die aanleiding is van het autoritair syndroom dat mensen kenmerkt die gevoelig zijn voor een extreem-rechts gedachtegoed en er een dito attitude naar ontwikkelen. Dat syndroom is voor Gaus zowel fundament als verklaring van extreem-rechts.

Het gevolg

De cycliciteit die Gaus herkent in de recurrentie van het extreem-rechtse fenomeen suggereert dat de opkomst en het verval ervan ontsnapt aan doelbewuste politieke strijd - het komt en het gaat:

"Het wordt ... gedetermineerd door het geleidelijk wegebben van die onzekerheid en angst in de daarop volgende stijgende lange golf, concreet in de jaren die nu voor ons liggen.' en dan ‘ofwel aanvaarden ze (extreem-rechtse partijen, MS) een steeds toenemend stemmenverlies en evolueren ze (opnieuw) naar een nichepartij, ofwel transformeren ze zichzelf in een normale, democratische rechtse conservatieve partij." (p.82)

Enige nuance ... verandert weinig

In het eerste (p.7-11) en laatste hoofdstuk (p.77-83) behandelt Gaus de verschillende strategieën tegen extreem-rechts en beoordeelt hij hun effectiviteit vanuit zijn theorie. We overlopen.

Men weerhoudt mensen die een zondebok aanduiden voor het afreageren van hun door angst opgewekte agressie niet door die zondebok als goedzak voor te stellen: de strategie van het opbouwen van een multiculturele samenleving is bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Wie nood heeft aan een zondebok zal zich door de multiculturele argumenten niet laten verleiden of snel een andere zondebok vinden.

Daarnaast is diffamatie van de leiders van extreem-rechts geen zinnige optie aangezien dat uitgaat van de verkeerde gedachte dat vooral die leiders, en niet de gesteldheid van de kiezers, verantwoordelijk zijn voor de opmars van extreem-rechts.

Ook anti-manifestaties en confrontatie van extreem-rechts halen weinig uit en werken zelfs averechts: ‘rellen' bevestigen autoritaire mensen hun ingebeelde ego en bieden ze de gewenste aandacht.

Hoewel er wel een deontologisch probleem van de media bestaat bij het berichten over extreem-rechts kan men het fenomeen door commercialisering van de media niet langer doodzwijgen, terwijl dat misschien nog het beste ware geweest.

Oproepen tot verdraagzaamheid en tolerantie appelleren aan de rede en missen dus ook hun doel, hoewel ze misschien het extreem verrechtsen van andere conservatieven wat kunnen verhinderen.

Enkel voor het aandacht besteden in de media aan het repressieve optreden van de overheidsinstanties en voor het van overheidswege veroordelen van extreem-rechts is een zekere effectiviteit weggelegd: autoritairen zwichten immers voor autoriteit.

Maar algemeen gesproken kan het plotse terugvallen van extreem-rechts niet worden toegeschreven aan de efficiëntie van de aangewende strategieën, zo vindt Gaus. Waar het blijvend succes kent heeft men met uitzonderingen te maken of moet de vraag rijzen of het wel degelijk om extreem-rechts gaat. Verder kan de vraag waarom in sommige landen extreem-rechts uitblijft misschien beantwoord worden met een daar aanwezige volwaardige conservatieve partij die excessen weet te neutraliseren.

Moraal en wetenschap

Gaus zijn theorie zal bijgevolg een ontnuchterend effect hebben op al wie zich voornam extreem-rechts te bestrijden. In een bepaald opzicht is dat een goede zaak. Wie dat louter op morele gronden doet komt immers sowieso niet ver: het cordon sanitaire in Vlaanderen maakte niet dat het VB verdween, zij het dat misschien mag worden aangenomen dat het zijn opmars wist te vertragen.

Slechts een strategie die naast het ethische argument gebaseerd is op een verklaring van het fenomeen en bijgevolg aanleiding geeft tot een effectieve politiek kan hopen op meer succes. Die verklaring zal dan evenwel anders moeten zijn dan die van Gaus en de bestaande politiek moeten aanzetten tot vrij fundamentele wijzigingen. Gaus zijn theorie doet immers meer dan ontnuchteren, ze immobiliseert.

Laten we daarom Gaus zijn theorie eens van dichterbij bekijken.

De lange golf

De ondertitel van Opgang en verval van extreem-rechts: ‘Bijdrage tot de studie van politieke cycli' geeft al een aanduiding van het theoretisch raam waarin Gaus zijn gedachten ontwikkelt.

Hij ziet de groei van extreem-rechts verbonden met de neergaande en dalfasen van de lange golven, de zgn. ‘Kondratieffs' van elk om en bij de vijftig jaar (25 jaar dalend, 25 jaar opgaand) die "een tamelijk betrouwbare prognose van de hoofdtrends van de wereldeconomie ... vorm(en)." (p.62)

De veronderstelling dat periodes van economische stagnatie een algemeen pessimistisch klimaat kunnen veroorzaken waarbij angst aanleiding kan geven tot een zich verspreidend autoritair syndroom is zeker geen naïef uitgangspunt. En dat Gaus het verband zoekt met de dalfasen van de Kondratieffs, veeleer dan met die van de Juglars (tienjarige businesscycli) is evenmin slecht bekeken: om een algemeen sociaal klimaat te scheppen dat ingrijpt op de persoonlijkheidsstructuur van vele mensen - zo kan men redelijkerwijze aannemen - is er behoorlijk wat tijd nodig.

Overigens lijkt Gaus het verband ook enigszins hard te kunnen maken: de bedoelde fasen (in de voorbije anderhalve eeuw) komen min of meer overeen met opstoten van antisemitisme en vreemdelingenhaat en andere ideeën en praktijken van extreem-rechts (hoofdstukken 6 en 8).

Maar nog afgezien van zware theoretische problemen gemoeid met het bestaan en het gewicht van de Kondratieff cycli voor het verklaren van maatschappelijke verandering (1), kan worden opgemerkt dat deze verbanden wel op een zeer hoog abstractieniveau worden gemaakt en de algemeenheid ervan toch vragen oproept.

Het is immers niet zo dat in de dalfasen van de wereld-economie het overal in de wereld 'slecht' gaat. Dat hangt voor elke regio af van zijn politiek economische karakter en historisch structurele positie in het wereld-systeem (2). Gaus kijkt daarover heen en zoemt slechts in op het samengaan van vermelde dalfasen met het autoritair syndroom.

En kan men extreem-rechts algemeen met het autoritaire syndroom typeren en verklaren? Bovendien: stel dat Hitler WOII had gewonnen, zouden zijn regime en ideologie, door de zich dan opwaarts bewegende Kondratieff (tot ongeveer 1971), niet langer extreem-rechts zijn geweest?  

Waarden, attitudes en (historisch) psychologisme

In het interbellum kende extreem-rechts in onze contreien electoraal succes op het platteland, terwijl het VB zijn eerste grote electorale successen boekte in de achtergestelde wijken van grote steden. Dat verschil vindt zijn verklaring in de omschakeling van een industriële naar een dienstenmaatschappij in de kernlanden van de wereld-economie, waarbij laaggeschoolden uit de boot vallen en het democratische socialisme de belangen van zijn natuurlijke electoraat veronachtzaamde (3).

Men begrijpt meteen hoe belangrijk dit is voor een beoordeling van strategieën tegen extreem-rechts: laaggeschoolden wonen in wijken waar ook allochtonen wonen die voor hen makkelijk als concurrenten kunnen worden gezien voor het bekomen en behouden van werk.

Tegelijk ziet men zo ook in dat de motieven van het electoraat van extreem-rechts, dat zich ook bevindt in landsdelen zonder noemenswaardige werkloosheid, niet steeds dezelfde moeten zijn. Dat roept ook meteen de vraag op of men de reden om op het VB te stemmen zomaar kan vatten onder de noemer ‘autoritair syndroom'.

Op verschillende plaatsen stoot Gaus dan ook op dat probleem. Zo schrijft hij over het blijvende succes van sommige extreem-rechtse partijen: "het doet de vraag rijzen in welke mate het daar alleen om extreem-rechts gaat en of er niet andere elementen in de motivatie van de mensen van die regio's geslopen zijn, die zelfs misschien met extreem-rechts niets te maken hebben ..." (p.81).

Nochtans zou men toch veronderstellen dat ook voor extreem-rechts electorale groei van belang is, met zijn geschiedenis te maken heeft?

Hoewel het autoritaire syndroom van groot belang kan zijn in de motivatie van sommige delen van het extreem-rechtse electoraat, hoeft dat niet perse het geval te zijn voor alle delen.

Diverse programmapunten van dergelijke partijen kunnen ook mensen aanspreken die helemaal niet door 'angst' bevangen zijn of voor wie racisme of de Dionysische choreografie van het extreem-rechtse gedoe van minder belang zijn dan het doordrukken van bepaalde fiscale maatregelen of een corporatistische agenda. Dat moet extreem-rechts toch niet minder extreem-rechts of minder gevaarlijk maken?

Maar Gaus wil geen vragen stellen naar extreem-rechtse leiders noch naar extreem-rechtse regimes (cfr. p.13), alles komt neer op het autoritaire syndroom dat het extreem-rechtse publiek in de ban houdt.

De verleiding van die veel te eenvoudige veralgemening en fundering bij Gaus heeft een verklaring.

Hij begrijpt politieke tegenstellingen vooral vanuit ‘meer fundamentele waarden en attitudes‘: ‘persoonlijkheidskenmerken', veel meer dan vanuit belangen en ideologieën (cfr. p.15-16).

Zo verbindt hij in het derde hoofdstuk ‘De relatie tussen politiek gedrag en onderliggende attitudes' (p.15-19) ‘links' en ‘rechts' met respectievelijk een set van ‘progressieve' en een set van ‘conservatieve' waarden en attitudes. Die maken dan het ‘normale politieke spectrum' uit waar extreem-rechts door zijn anti-democratische aard buiten valt. En in het volgende hoofdstuk: "Zoals voor links en voor rechts is ook voor extreem-rechts het uitgangspunt een set van persoonlijkheidskenmerken, die in politieke partijen een politieke vertaling krijgen. Het wezen van die basishouding is wat met een geleerde term wordt aangeduid als het autoritaire syndroom." (p.19)

Wanneer men dan de vraag stelt hoe het komt dat in gegeven periodes extreem-rechts opkomt en zich weet af te scheiden van de conservatieve kant van het spectrum dan beroept Gaus zich in hoofdzaak op ‘regressie' naar meer infantiel gedrag (p.71). "Het zijn in dit geval geen exogene factoren, maar wel endogene, die eigen zijn aan de sociale psyche, die voor de verandering zorgen ..." (p.70).

Dat geldt zelfs voor de Kondratieff cycli zelf volgens Gaus. Laatste citaat vervolgt zo: "... en die dus ook de omslag van de conjunctuur veroorzaken. Voor de vaststelling van de cyclische bloei van extreem-rechts is het echter irrelevant welke van de twee opties men kiest, voor welke oorsprong van de specifieke angst men opteert."

Zo wordt ook duidelijk waarom in Gaus zijn behandeling van strategieën tegen extreem-rechts de eigenlijke grond van de angst wel zo goed als aan alle menselijke controle moet ontsnappen.

Hoewel er nogal wat discussie bestaat onder economen over de verklaring van groei, stagnatie en crisis in het wereld-systeem, zoeken die economen die toch in (politiek) economische mechanismen. Voor Gaus is die discussie voldoende om aan andere mechanismen te denken en te beweren dat het ‘om één of andere reden' is dat het optimisme keert (cfr. p.63): "het is een mentale, psychische factor ... die dus de uiteindelijke verklaring vormt." (idem.)

Op die manier hoeft het niet te verbazen dat voor de strijd tegen extreem-rechts Gaus niet op ideeën komt om pakweg de werkloosheid terug te dringen of te pleiten voor een herschikking van het politieke spectrum.

Dat laatste kan hem ook moeilijk voor ogen komen daar hij tevens van mening is dat de huidige partijen "allemaal een groot deel van hun electoraat moeten gaan zoeken in de lagere of hogere middenklassen." (p.17, cursivering MS).

Pas wanneer men zich realiseert dat politieke tegenstellingen vanuit verschillende, vaak tegengestelde belangen moeten worden begrepen (dat 'de mensen' geen electorale massa vormen waarin de differentiatie door waarden en attitudes wordt bepaald) kan men zich afvragen of die politieke toestand wel zo natuurlijk is als ze lijkt.

Pas wanneer men de opmars en het verval van extreem-rechts beziet vanuit het historisch politiek economische karakter van de betreffende regio en het programma van extreem-rechtse partijen kan men een goed zicht krijgen op de wijze waarop partijen zoals het VB een zo divers electoraat achter zich weten te krijgen (zonder die diversiteit te moeten onderwerpen aan een verondersteld en algemeen verklarend autoritair syndroom).

Op die manier kan men zich tevens de vraag stellen of in de strategie tegen extreemrechts geen differentiaties moeten worden gemaakt naar de interne verschillen tussen delen van dat electoraat.

En ook pas dan kan men zich afvragen of de andere partijen niet gebaat zouden zijn met een terugkeer naar hun bestaansredenen, hun natuurlijke electoraat en hun grote verhalen die ook anderen kunnen overtuigen - in plaats van met z'n allen in het centrum post te blijven vatten.

Maar laten we eindigen met een meer positieve noot

Betekent dit alles nu dat sociaal-psychologische factoren geen onderdeel vormen in de mechanismen die de opmars van extreem-rechts verklaren? Zeer zeker niet. In feite is het een verdienste van Gaus dat hij de sociaal-psychologische literatuur terug aan de herinnering brengt (4).

Immers de belangen die vele mensen menen te hebben bij een stem voor extreem-rechtse partijen zijn wel degelijk pervers of geperverteerd. Niet alleen bestaat er een serieus verschil tussen de propaganda en het programma van zulke partijen, hun doelstellingen, praktijken en beleidsvoorstellen zijn ook van een ongekende brutaliteit en kenmerken zich inderdaad door een hoge mate van kinderachtigheid.

In dat kader vormen ook sociaal-psychologische factoren te onderzoeken redenen die een deel van het antwoord kunnen geven op de vraag hoe en waarom vele mensen zich door dergelijke dwaze ideeën en onredelijke praktijken laten verleiden. Daarin hebben onderzoekers en verantwoordelijken in o.m. socialisatie, onderwijs en media, met hun respectievelijke belang voor het beschaafde en georganiseerde meningsverschil in een democratie, nog een serieuze opdracht te vervullen.

 

Noten:

(1) Zie daarvoor o.m. Arrighi G. (1994): The Long Twentieth Century, Verso, London, p.7-9.

(2) Voor een overzicht van de ongelijke en gecombineerde ontwikkeling in de moderne wereld-economie, zie Saey M. (1994): Wereld-Systeem Analyse. Een Antwoord op 1968, IMAVO, Brussel.

(3) Zie Saey P. & Saey M. (2004): Back to basics. Het Vlaams Blok: schoppen naar beneden, in: VMT 38/3, p.6-16.

(4) Doch zie ook reeds Rosseel E. (1993): Fin-de-Siècle. Post-moderniteit en Fascistische Dreiging, VUBPRESS, Brussel.


 
Voeg toe aan favorieten
© 2010 Blokwatch - Nationale webstek over het Vlaams Belang
Page generated in 0.128800 seconds
1 jaar Blokwatch Reeds 7 miljoen keer bezocht!